De schep verdwijnt met kracht in de aarde. Zweet zoekt via rimpels een uitweg. De man richt zich op. Hij kijkt naar het land, waar de gewassen groeien die ook dit jaar weer een rijke oogst verborgen houden. Het ziet er goed uit. De boer kan tevreden zijn, er is hard voor gewerkt. Gehavende vingers rollen een shagje. Trillen maakt dat niet makkelijker. De avondzon brandt met haar laatste krachten in de bezwete nek van de agrariër. Dadelijk zal hij eerst nog zijn schuur opruimen, om daarna de door zijn vrouw gekookte maaltijd naar binnen te schransen. Hard werken is een deugd die eten als een hond rechtvaardigt, is zijn heilige overtuiging.

Boerenklompen hebben de neiging een beetje weg te zakken in de modder, maar wie er regelmatig op loopt went eraan. Geïnhaleerde rook verkiest de frisse buitenlucht boven het binnenste van het boerenlijf en vlucht naar buiten. Het voetspoor langs de akker verraadt de afgelegde weg, die naar de schuur leidt. Opeens is er een ongemakkelijk gevoel dat zich meester maakt van de hardwerkende landbouwer. Hij kent dit land op zijn duimpje en weet het direct als er iets aan de hand is. Je ruikt het, de lucht is anders. Voorzichtig opent hij de deur. Bij het openduwen wordt half in het duister iemand met zwarte kisten, handschoenen en een fles sterke drank zichtbaar. De indringer zit op een stoel, onderuit gezakt. Er komt geen uitleg voor de aanwezigheid.

Het mes in de overall is omklemd. “Wat doe je hier, mafkees, opdonderen, of ik gooi je van mijn erf af!”

Stilte. Uit de hoek komt geen krimp. De boer is inmiddels de schuur ingelopen, maar blijft in het midden van de ruimte staan. De indringer blijft rustig zitten, nog altijd min of meer onzichtbaar.

“Heb je me gehoord? Wegwezen, wat voor manieren zijn dit, zomaar andermans erf betreden.”

Nu is er spottend gelach. Ingetogen, lastig hoorbaar.

“Wat lach je, idioot! Ga me nu maar eens vertellen wie je bent en wat je komt doen, voor ik de politie erbij haal.”

“De politie gaat jóu niet helpen.” Uit deze eerste woorden kan de boer opmaken dat de man inderdaad heeft gedronken, maar niet lazarus is. Het is een inbreker om rekening mee te houden. Iemand die in staat is om hem met geweld te overmeesteren. Het stanleymes voelt nu een duim over de schuif gaan.

Nu komt de indringer overeind. Hij slaat de fles sterke drank stuk tegen de muur, maar houdt de flessenhals in zijn vuist.

De boer ziet dat de kisten hun drager zijn kant op brengen en voelt het hart steeds meer in de keel kloppen. Uit het duister verschijnt een opmerkelijke gestalte; de indringer draagt een masker en een donkere cape.

“Lieve moeder Maria, vier je carnaval of zo? Jij bent niet goed snik! Wat doe je hier?”

“Belachelijk hè, zo’n kostuum, maar mijn zoon stond erop dat ik het zou dragen.”

“Je zoon? Waar heb je het over? Wie ben jij? Wat kom je hier doen?”

Het stanleymes glijdt uit de overall en voelt hoe de atmosfeer van de schuur contact zoekt.

Het glimmende ijzer tegenover het gebroken glas van de fles.

Nog twee stappen en ze staan recht tegenover elkaar.

***

De schep verdwijnt met kracht in de aarde. Gewassen gaan gebukt onder de avondbries. Bladeren van een eenzame boom ritselen slaafs mee. In de tegengestelde richting van het voetspoor naar de schuur, loopt nu een ander spoor. De voetstappen komen van schoenen met dezelfde maat, zoveel is duidelijk. Wel zijn de voetstappen dieper, alsof de wandelaar een stuk zwaarder was. De schep is behalve zwart van de aarde, ook rood van het bloed.

Tevreden maar haatdragende ogen kijken naar de geëgaliseerde grond. Het ziet er goed uit. De ogen dwalen af naar het spoor dat vanaf de schuur komt. Op een meter of drie ligt een boerenklomp. Dat zal dan zo zijn, besluit de man, die bukt en met zijn armen naar de grond reikt. Van de grond raapt hij een levenloos lichaam dat van een jongetje van een jaar of zeven heeft moeten zijn. Met het door modder bevuilde lichaam in de armen beent hij naar de gewassen, die zich achter het wapperende uiteinde van zijn zwarte cape sluiten.






Voetsporen