Dag 3, zondag. We schrijven het stadion van een niet nader te noemen professionele voetbalclub. De tribunes zijn leeg. Uitgestorven. Er had eigenlijk een daverende voetbalwedstrijd plaats moeten vinden, maar de spelers en coaches zijn in de war. De directie van de voetbalclub zit met de handen in het haar: nog altijd zijn er geen seizoenskaarten verkocht. Uiteindelijk begint de wedstrijd toch, zonder publiek. De sfeer doet nog het meest denken aan een veredelde training. Voorlichters worden bestookt met vragen.

Dag 4, maandag. De medewerkers van de verschillende kantoren in het stadion hebben hun handen vol aan het werk. E-mails, telefoontjes en zelfs faxen komen aan de lopende band binnen. De directie zit in de derde spoedvergadering van die dag, om duidelijk te krijgen welke gevolgen dit alles gaat hebben voor de financiële stabiliteit van de voetbalclub. De persvoorlichters durven geen stap buiten de deur te zetten.

Dag 9, zaterdag. Er hangt een drukkende sfeer in de vergaderruimte van de directie. Alle ogen en gedachten zijn gericht op de dag van morgen: zal het stadion van de tegenstander wel vollopen? Een van de bestuursleden hint voorzichtig naar onderhandelen, maar daar peinst men niet over. In de afgelopen dagen regende het zorgelijke op- en afzeggingen. Morgen vindt pas de tweede wedstrijd van het seizoen plaats. Nog altijd zijn er geen seizoenskaarten besteld. Sponsoren trekken zich terug.

Dag 10, zondag. Normaal is het rond het stadion van de ontvangende club een drukte van belang. Levendig, geanimeerd. Maar vandaag louter stilte. Ook in dit stadion is geen mens te bekennen. Opnieuw spelen de teams voor lege tribunes. Nu is er niet alleen verwarring, maar ook woede en angst. Wat gaat dit betekenen voor de clubs? Voor de spelers? Voor het inkomen?

Dag 11, maandag. In de Telegraaf staat een paginagrote brandbrief van de clubs en spelers, waarin zij de supporters oproepen sportief te zijn en weer naar de club te komen. De toekomst van hun clubs hangt ervan af. Blijven ze weg, dan zullen de clubs voorgoed verdwijnen. Wie het voetbal – en diens favoriete club – een warm hart toedraagt – kan dat toch niet willen? Over onderhandelingen geen woord.

Dag 14, donderdag. De eerste clubs vragen betalingsregelingen aan. Twee clubs gaan volgens kenners gegarandeerd failliet. Sponsors kondigen aan geen nieuwe contracten af te sluiten met voetbalclubs. Aandelen kelderen. Omliggende bedrijfjes en horeca komen in steeds zwaarder weer. Anderen gaan al failliet. Twee middelgrote gemeentes en een van de vier grote steden geven aan in financiële problemen te komen, door grote belangen in de lokale voetbalclubs. De premier maant tot kalmte en geeft aan in te moeten grijpen, voor er een domino-effect ontstaat en complete steden op zwart zaad komen te zitten. Ook hij roept de supporters op sportief te zijn en weer naar de clubs te komen.

Dag 17, zondag. Opnieuw zijn de tribunes van de voetbalclubs in Nederland leeg. Velen zijn in paniek. Er is sprake van talloze dreigende faillissementen. Voor het eerst lijkt er beweging te komen bij de managers, maar vooralsnog is er vooral sprake van getreuzel – ondanks alle paniek.

Dag 1, vrijdag. Transcript van een fragment uit ‘De Wereld Draait Door’.
Matthijs van Nieuwkerk: “De voormannen van de Nederlandse supportersverenigingen zijn boos over de hoge salarissen van spelers en stijgende prijzen voor seizoenskaarten. Ze gaan bij elkaar zitten. Wat krijg je dan? Een voorstel voor verandering. Er worden geen seizoenskaarten aangeschaft voor aankomend seizoen. Maar de ambities zijn groter. Er wordt contact gelegd met supportersverenigingen in Engeland, later in Spanje, ook Italië mag niet achterblijven. Voor je het weet hebben alle supportersverenigingen in Europa contact met elkaar. En ze worden het eens: er worden geen seizoenskaarten gekocht en geen wedstrijden bezocht. Vandaag aan tafel, vier van deze rebellen. Niet alledaags om zo met uw rivalen aan tafel te zitten?”

Supporter 1: “Haha, nou zeker, normaal zitten we tegenover elkaar, maar er moet iets gebeuren. Daarom vonden we het tijd nu maar samen op te trekken.”

Matthijs van Nieuwkerk: “U bent ontevreden over de salarissen die door het plafond gaan en de seizoenskaarten die alsmaar duurder worden?”

Supporter 2: “Zo ken je het wel stellen ja. Wij werken voor een habbekrats en krijgen de ene na de andere bezuiniging op ons dak, maar mogen de volle mep betalen voor de business class en jurkjes van de diva’s. Daar bedanken we vriendelijk voor.”

Supporter 3: “De salarissen en bonussen worden hoger en hoger. Bij alle clubs. In andere landen in Europa, zeker, maar ook in Nederland zie je het gebeuren. Nu zeggen wij als Europese supporters: stik er maar in, de salarissen en de entreeprijzen kunnen omlaag. Voetbal is een volkssport.”

Matthijs van Nieuwkerk: “Maar dan chanteert u de clubs toch eigenlijk?”

Supporter 2: “Hoezo is dat chantage? Volgens mij is dit gewoon onderhandelen. Als ik niet doe wat mijn baas van me wil betaalt ‘ie mijn salaris ook niet. Dat is toch ook geen chantage?”

Matthijs van Nieuwkerk: “Maar het gaat toch maar om een paar tientjes per maand? Begrijpt u wel dat voetbalclubs failliet kunnen gaan? Dat er mensen werken en dat zij voor hun inkomen van die clubs afhankelijk zijn?”

Supporter 1: “Hoor ‘es, wij dragen onze clubs een warm hart toe. Maar we zien hoe managers en verwende voetballertjes het geld over de balk smijten, terwijl wij voor een hongerloon ons het snot voor de ogen werken. Dan hakken die seizoenskaarten er in, zeker als je ook je kinderen meeneemt. Ze willen dan ook nog een petje en een shirtje. Het kost je klauwen met geld. En begrijp me niet verkeerd: wij willen best betalen voor goed voetbal, maar niet voor de jurkjes en kettinkjes van meeliftende voetbalvrouwen. Spelers die vele duizenden euro per wedstrijd verdienen, dat gaat toch nergens over?”

Supporter 2: “En dit is toch wat we willen? Marktwerking? We zijn er volgens mij hartstikke duidelijk over: met de voetballers en coaches willen we graag in gesprek, maar die vlugge managementjongens moeten zich niet zo aanstellen. Ze moeten het maar zo zien: ‘Het is maar een spelletje‘.” 






‘Het is maar een spelletje’