Op een doordeweekse dag, ergens in de jaren negentig, klonk een opgefokte stem door een open raam. In een doodgewoon klaslokaal van een protestantse school viel de juf uit tegen een ventje van een jaar of elf. Zij had gezegd dat iedereen het erover eens is dat iemand doden heel erg slecht is. Hij had gevraagd hoe het dan kan dat we het bestaan van een leger voor lief nemen. Het mannetje liep vaker met dit soort vragen. Vragen waarop hij thuis ook al geen bevredigende antwoorden vond.

Vragen

Elk kind heeft vragen. De vragen die ze hebben verschillen. De hoeveelheid vragen ook. Sommigen hebben voor elk antwoord dat je geeft twee nieuwe vragen. De vragensteller van elf was zo’n kind, maar zijn nieuwsgierigheid doofde langzaam uit. Hij ging gelukkig niet veel later naar de middelbare school en trof daar leraren die zijn nieuwsgierigheid weer een beetje konden reanimeren. Maar in de acht zo enorm vormende jaren die aan de middelbare school voorafgaan, is er elk jaar meestal maar één iemand die jou begeleidt in je groei. Het kind is dus volledig aangewezen op die ene leraar.

En dat geldt andersom evengoed. De basisschoolleraar ziet een stuk of dertig kinderen een heel schooljaar lang. Leert ze door en door kennen. Moet professioneel blijven, zonder ongevoelig te worden. Ziet vaak al het mooie en lelijke dat kinderen als emotionele bagage van thuis meenemen, maar leeft ook met het besef dat je er vaak minder mee kan dan je zou willen. En komt vaak tijd tekort om elk kind de aandacht te geven dat het verdient.

Precies daarom is het zo pijnlijk dat staatssecretaris Sander Dekker ooit leek te insinueren dat het basisonderwijs zo zwaar niet is. En ook daarom mogen de ouders en werkgevers die wel klaagden over de staking afgelopen donderdag zich best afvragen of leraren niet wat meer van hun begrip verdienen.

Verbonden zijn

We vergeten te vaak dat we allemaal met elkaar verbonden zijn. De kinderen die maandagochtend het lokaal weer tot leven brengen zijn de volwassenen van morgen. We zijn met zijn allen verantwoordelijk voor hun toekomst en in diezelfde toekomst zijn wij afhankelijk van hen. Een VVD’er zal misschien roepen dat die verantwoordelijkheid vooral bij de ouders ligt, maar wat betekent dat voor de kinderen met ouders die hun verantwoordelijkheden niet aan kunnen? Of er simpelweg voor weglopen? Voor die kinderen is er soms nog maar één reddingsboei: de leraar.

Leraren vergeten die verbondenheid zelf ook weleens. Als docent filosofie en ICT merk ik dat sommige collega’s voeding geven aan de gedachte dat het belang van die vakken verwaarloosbaar is. Politici en het bedrijfsleven helpen dan ook niet altijd: naast de vaak eenzijdige en bijna ziekelijke focus op de zogenaamde kernvakken, heerst er een op het Centraal Eindexamen gerichte reproductiecultus die scholen wil reduceren tot werknemersfabrieken. Ondertussen digitaliseert de samenleving in rap tempo verder en nemen robots steeds meer (re)productiewerk over.

Voor de kinderen

Dan is het niet gek dat er een groeiende behoefte is aan typisch menselijke kwaliteiten, zoals creativiteit, kritisch denken, en het stellen van vragen (bij de technologische ontwikkelingen). Dan is het niet gek dat mensen worstelen met digitalisering en hun behoefte aan écht menselijk contact, zonder beeldscherm. En dan is het niet gek dat leraren, die ook al deze uitdagingen nog op hun bordje krijgen, het water aan de lippen staat. Intussen is de overheid druk doende met alle goede bedoelingen van projecten met onbedoeld veelzeggende namen als Onderwijs 2032, maar leraren hebben nú perspectief nodig.

Voor de kinderen.

Dat besef had ik toevallig heel sterk toen ik een tijdje terug vijfentwintig van hen lesgaf. Eén van de leerlingen was druk in de weer met haar smartphone. Toen ze Snapchat opende, spoorde ik haar aan om vragen te bedenken bij de tekst die ze moest lezen. Ze keek op met een verveelde blik. “Meneer, echt, waarom moeten we naar school?” Mijn eerste ingeving was “omdat het moet”, maar dat zou een jongetje van elf in een doodgewoon klaslokaal me nooit vergeven. Ik dacht even na, glimlachte, en zei: “Omdat elk kind een bevredigend antwoord op vragen zoals deze verdient.”






‘Waarom moeten we naar school?’