Gedecideerd sloot hij de deur van de blokhut achter zich. Maar wel discreet. Gedecideerd en discreet, dat was hij. Het was hem al vroeg geleerd, door zijn beide ouders. Bijzondere mensen waren ze. Welgemanierde mensen, opgevoed door weer andere welgemanierde mensen. Het geloof groeide als een rode draad door de stamboom van deze welgemanierde familie. Maar ook, en misschien wel meer nog, de etiquette. Omgangsvormen en manieren, die waren belangrijk in het bestaan van een man die de deur gedecideerd en tegelijkertijd discreet achter zich sloot. Hij was vastbesloten in zijn overtuiging alles op beschaafde wijze te doen. Hij walgde van mensen die zich niet beschaafd gedroegen, maar wel op een fatsoenlijke wijze. Walging was niet erg, zolang je het maar beschaafd hield.

De mensen waren harteloos. Meedogenloos zelfs, in hun onverzadigbare kritiek. Hem was geleerd dat het niet uitmaakte wat je doet, als je het maar met manieren doet. Voor de meesten gold dat niet, zij waren ongemanierd. Jarenlang hadden ze hem verafschuwd, omdat hij zo groot was. Inderdaad, hij was groot. Groter dan de meesten. Gigantisch zelfs. Ze noemden hem ‘gigant’. Maar van bewondering was geen sprake, louter van afkeer. Het had in dit reusachtige menselijke lichaam de kiem gelegd voor de walging die hij nu zelf voelde. Het was de botsing tussen manieren en het gebrek eraan. En de mensen ontbeerden manieren. Zijn vader leerde hem zoals gezegd al vroeg dat alles goed was, mits je het hoffelijk deed. Zo rechtvaardigde vader het uitmoorden van oosterse kinderen door westerse militairen.

Want zij aten met hun handen. Deden hun behoefte in een gat in de grond. De geweldsverheerlijking leidde uiteindelijk tot een breuk. Hij verafschuwde geweld. Ook als het om oosterse kinderen ging die met hun handen eten en hun behoefte in een gat in de grond doen. Natuurlijk, ze moesten heropgevoed worden en zonodig uit het blikveld van beschaafde mensen worden verwijderd, maar daarbij diende een mens geen geweld te gebruiken. Geweld vond hij afzichtelijk en afkeurenswaardig. Liever zag hij kunst. De reus leefde voor de kunst, voor niets dan dat. En hoewel zijn oude vader had gezegd dat het niet uitmaakt wat je doet, zolang je het maar met manieren doet, leek dat niet te gelden voor de kunst. Het resulteerde erin dat hem de keus werd voorgelegd te stoppen met kunst of te vertrekken. Hij nam netjes afscheid en vertrok.

Zijn vader was een hypocriet. Daarvan walgde hij, hypocrisie. Het was de aversie jegens hypocrisie die hem met de paplepel was ingegoten, die uiteindelijk de bediener van diezelfde paplepel van zijn eigen kroost wegdreef. Hypocrisie en ironie gaan hand in hand, zeker wanneer het blinde hypocrisie betreft. De stap van blinde hypocrisie naar blinde haat is bovendien een kleine. Dat leerde hij al jong. De schooltijd was verschrikkelijk. Hoe groot ook, de reus kon zich niet verweren tegen de horden dwergen die hem het leven zuur maakten. Alles slingerden ze in zijn richting, verbaal en materieel. Op een zeker moment werd hij met een schep op zijn achterhoofd geslagen, tot bloedens toe. De juf, die er ook geen raad mee wist, nodigde de dader en haar moeder op school uit, om excuses te komen maken. Ze weigerde: monsters als hij wekten angst in de hand. Door angst doe je gekke dingen.

Na de middelbare schooltijd hield het niet op. Zijn vader wilde dat hij bij het leger zou gaan, om het woord van God te verspreiden. Maar vooral ook het woord der beschaving. Hij zou oosterse kinderen met mes en vork leren eten – en zo nodig naar de heer leiden. Maar hij ging liever boetseren. In de tuin werken. Koken. Hij hield ervan. Zijn vingers waren dan wel niet gemaakt voor fijngevoelige arbeid, zijn hoofd was er volledig op ingespeeld. In de loop der jaren had hij zichzelf het tere werk eigen gemaakt en was hij redelijk in staat geraffineerde producten af te leveren. Met altijd maar weer diezelfde gedachte in het achterhoofd: het moet beschaafd. Het moet fatsoenlijk en welgemanierd. Hij zou zich niet verlagen tot het niveau van zijn vader, die hem ervoor op straat zette.

Zijn vader vertelde hem dat het beter was als hij zou gaan. In nette bewoordingen, dat wel. Zoals altijd. Hij veinsde tenslotte graag dat hij van de beschaving was – en in de heer, dat ook. Maar de gigant zou het niet langer veinzen, hij zou het levenswerk van zijn bloedlijn tot kunst verheffen. De beschaving eren, zoals de beschaving geëerd zou moeten worden. Ze zouden het voor hem niet makkelijk maken, zou al snel blijken. Hij betrok een appartement in de stad, waar zijn familie net buiten woonde. Al snel werd hij vernederd en beledigd. De mensen in de buurt waren bang voor hem, of bejegenden hem agressief. Ongemanierd agressief, ook nog. Ze scholden hem uit voor van alles en nog wat. Terwijl hij niets liever wilde dan een fatsoenlijk bestaan leiden. Kunst en fatsoen, dat was alles wat hij wilde.

De gigant at van het gerecht dat hij de dag ervoor had klaargemaakt. Hij kookte, urenlang. Haute cuisine. Als de mensen niet bang voor hem waren, had hij een Michelinster gekregen. Het was lastig, met grote vingers zoals hij ze had, maar zijn gerechten waren een kunstwerk om te zien. Dat had zijn enige fatsoenlijke buurvrouw ooit moeten bekennen. Nu speelde zijn hele leven zich vooral af in en rond deze blokhut. Alleen als het echt nodig was trok hij naar de stad. Voor noodzakelijke boodschappen. Of omdat hij even onder de mensen moest zijn. Waarom wist hij eigenlijk ook niet. Waarschijnlijk om weer bevestigd te worden in zijn overtuiging dat de meesten onfatsoenlijk waren. Zodat hij met hernieuwde moed – al nam die moed nooit echt af – zijn solitaire bestaan kon voortzetten. Voor even nog. Binnenkort zou alles veranderen.

Hij was niet altijd solitair geweest. De fatsoenlijke buurvrouw, die had het opgebracht tijd met hem door te brengen en van zijn borden te eten. Bij de supermarkt was een medewerker die hem graag hielp. Excuses maakte voor het feit dat de anderen zo onaardig voor hem waren. Deze mensen verpersoonlijkten het laatste beetje beschaving dat er nog op deze planeet te vinden was. Zij droegen het restje tolerantie, dat bij die beschaving hoorde. Bij tolerantie horen manieren. Manieren zijn de geleiding waardoor tolerantie haar weg vindt. Houden de manieren op te bestaan, dan kan er ook geen sprake meer zijn van tolerantie. Tolerantie moet gemediëerd worden. Zonder manieren is er geen sprake van tolerantie, dan is er sprake van een barbarisme waarvoor hij huiverde.

Het schemerde in de blokhut. De verlichting was minimaal, maar het was een paleis voor een banneling. Hij had ook niet veel nodig. Zijn bestek was in feite genoeg. Het keukengerei hierboven en de gereedschapskist beneden in het atelier, waren eigenlijk een luxe, al zou het jammer zijn als hij er ooit afstand van zou moeten doen. De gigant was meer dan tevreden, rijk zelfs. Hij was een kunstenaar. Een echte kunstenaar. Een bon vivant, zoals ze dat in het tijdschrift noemden dat hij ooit ergens in een kiosk had mogen meenemen. Er hoefde niet afgerekend te worden, wilde de dame achter de toonbank duidelijk maken door zich schuil te houden voor hem. Voor de gigant. Door angst doe je gekke dingen.

Hij dacht na, over zijn solitaire bestaan. Over zijn vader, de buurvrouw en de medewerker van de supermakt. De kunst bracht hem waarnaar altijd een verlangen bestond: beschaafd samenzijn. Dat was de voornaamste drijfveer om kunstenaar te willen worden. Beschaafde mensen die van mooie beschaving houden, van kunst. Hij ontmoette bij een galerie een vrouw die verstand had van kunst. Ze was de galeriehoudster, liet ze weten. De gigant vertelde honderduit over zijn atelier. Over hoe hij aan onalledaagse kunst werkte. Het maakte de galeriehoudster enthousiast. Hier werd hij niet raar aangekeken, hier was iedereen anders. Mensen deden hier hun best om er anders uit te zien dan mensen die hem vreesden. Vermoedelijk dachten ze dat ook hij deelnam aan die verkleedpartij. Het kon hem weinig schelen, zolang ze maar beschaafd waren. Fatsoenlijk.

Binnenkort zou ze bij hem langskomen, de galeriehoudster. Hij had verteld over zijn kunst. Stotterend, dat wel. De reus zag er niet alleen onalledaags uit, hij praatte ook onalledaags. Eigenlijk was alles aan hem onalledaags. Daarom was het ook zo belangrijk dat hij zich beschaafd gedroeg. Beschaving maakt alles alledaags. Het moet mensen geruststellen. Geruststelling is belangrijk. Mensen rekenen erop. Ooit dacht hij erover in een opvangtehuis voor blinden te gaan werken, maar realiseerde zich toen dat het voor blinden misschien onprettig is, geholpen worden door iemand die ongemakkelijk praat. Die stottert. Door zijn onalledaagse voorkomen was hij gesterkt in de overtuiging dat het beschaafd moet. Om de mensen gerust te stellen.

Je best doen. Alleen maar je best doen. Zijn hele leven lang. De gigant deed zijn best. Nu hoefde dat niet meer. Tussen de kunstenaars en hun liefhebbers – mensen hielden van kunstenaars, slechts zelden van kunst, zo vernam hij in zijn omgang met de kunstenaars – kon hij zichzelf zijn. Zij waren zichzelf door zich anders voor te doen, maar de gigant was wie hij was. Hij zou de galeriehoudster geen alledaagse kunst voorschotelen, hier in zijn blokhut. Ze zou onalledaagse kunst gaan zien, in het atelier, de enige plek waar de gigant echt zichzelf kon zijn. Gedecideerd en discreet. Het etentje was voltooid. De reusachtige klauwen verdwenen in de straal die uit de kraan kwam. Daarna werden ze gedroogd in een badhanddoek, zo groot waren ze, een theedoek zou niet volstaan. Vervolgens begaf de gigant zich richting de kelder. De afdaling naar het atelier begon, opnieuw gedecideerd en discreet. Hij bekeek het te maken kunstwerk in de hoek.

Dit was een onalledaags kunstwerk, zoveel was zeker. Alledaagse kunstwerken knipperen niet met hun ogen. Die snikken niet zachtjes. Gillen en smeken niet, als je het gereedschap ter hand neemt. Het irriteerde hem. Mateloos, zelfs, het irriteerde hem mateloos. Lawaai kon de gigant niet gebruiken, nu hij zo druk bezig was met zijn ambacht. Waar was het respect toch gebleven? Hij vroeg het de heer, maar er kwam geen antwoord. Dan was het nu tijd voor kunst. Hij hief de grote moker op en besloot met het gezicht te beginnen. Zoveel mogelijk stilte was gewenst, onnodig rumoer kun je niet gebruiken, als je een ambacht met toewijding en fatsoenlijk uitoefent. De moker trof het te bewerken oppervlak. Langzaam werd het steeds stiller. En stil zou het zijn, op de geluiden van vakmanschap na dan. Hij was een vakman. Dat was zelfs zichtbaar voor een blinde. Er was geen twijfel mogelijk. Hier was een welgemanierde kunstenaar aan het werk.



De welgemanierde kunstenaar