De bibliothecaresse was met stomheid geslagen. Schaapachtig sloeg ze mij gade. Toch meende ik behoorlijk duidelijk geweest te zijn. Ik stelde mijn vraag opnieuw. De verwarring mocht er niet minder om worden. Enige frustratie sloeg toe, maar gelukkig is mij al op jonge leeftijd bijgebracht tot tien te tellen. Dit beloofde nog een hele operatie te worden, terwijl ik op grond van de vanzelfsprekendheid waarmee men hierover spreekt toch echt meende een routineklusje voor de boeg te hebben.

Niets was echter minder waar. Met de minuut veroverde de ontreddering meer bruggenhoofden van haar gemoedstoestand, waardoor het fanatiek zoeken naar aanknopingspunten een verloren zaak beloofde te worden en het voortzetten ervan in het beste geval een overspannen medewerker voor de bibliotheek zou betekenen.  Ergens was het triest, een vrouw zo verknocht aan het behagen van haar gasten, gesteund door een onmetelijke hoeveelheid vakkennis, gesteld te zien voor een opgave die haar pet te boven gaat. Tegelijkertijd was het een enorme bron van ergernis. Haar vastbeslotenheid bracht in dit geval immers meer frustratie dan voldoening.

Want daar stonden we, beide lamgeslagen door ontgoocheling, diep van binnen wetend dat we niet in staat waren elkaar verder te helpen. Ik was niet eens zozeer gefrustreerd vanwege het feit dat ze mij het antwoord niet kon geven, maar eerst en vooral door haar waarschijnlijk uit onnozelheid geboren onwil om er conclusies uit te laten volgen. Laat staan vragen. En dát soort achterlijke passiviteit irriteerde me nu mateloos.

“Maar meneer, dat is gewoon zo. Dat… dat, dat is gewoon logisch. En daarom zijn dáár geen boeken over te vinden”, stamelde ze. Bedachtzaam bestudeerde ik de verwachtingsvolle blik in haar ogen en dacht na, maar besloot een ogenblik later dat dit antwoord mij onvoldoende bekoorde. “Luister mevrouw, ik heb mezelf het apelazarus gezocht, maar geef niet zomaar op. Ik kan me nu toch niet met een kluitje in het riet laten sturen? Het moet toch mogelijk zijn het aan te kunnen wijzen, met mijn eigen wijsvinger? Ik wil niets liever dan dat. Maar ik ben bang dat wij elkaar niet verder kunnen helpen. Hartelijk bedankt voor uw tomeloze inzet, maar hier ga ik het niet vinden. Fijne dag nog”. Lichtelijk teleurgesteld verliet ik de treurende bibliotheek, een gebouw van het soort dat melancholie ademt en helemaal kapot is van een uitzichtloze strijd. Een strijd tegen voortschrijdende desinteresse.

De straten gingen gebukt onder het juk van een flinke stortregen. Liepen de meeste voetgangers te klagen en mopperen, deze hel van water liet mij onverschillig. Alleen de zoektocht wist mijn aandacht beet te grijpen en had haar ook alweer enige weken in zijn klauwen, besefte ik. De expeditie die me dichter bij de mensenrechten moest brengen leverde tot nog toe weinig anders dan uitzichtloosheid. Elke keer weer kwamen ze met een boek over de Verklaring op de proppen. Dat stelde me niet tevreden. Je neemt tenslotte ook geen genoegen met een auto-catalogus, als je d’r in wil zitten. De afgelopen dagen waren er nogal wat mailtjes verstuurd, telefoontjes gepleegd en instanties bezocht. Maar de medewerkers van treurende bibliotheken, statige ambassades en mensenrechtenorganisaties, geen van allen konden ze me antwoord geven op mijn vraag.

Hoe kon een institutie die de fundering vormt voor de ethiek van zovelen zo vervreemd zijn van haar pleitbezorgers? Af en toe moest er een klein sprongetje gemaakt worden. Plassen vers regenwater determineerden mijn wandelpad streng. Gehoorzaam conformeerde ik me naar de weg die voor mij klaar lag, een pad dat serieus benadrukte hoe ongelijk de tegels van deze krakkemikkige stoep erbij lagen. Het viel me voor het eerst op. Eerder had ik er nooit bij stil gestaan dat dit trottoir mooier leek dan het werkelijk was. Dit besef doormaken was toch wel een kleine prestatie, daar mijn pre-occupatie met de zoektocht mij voortdurend liet dagdromen.

Het dromerige manoeuvreren met de ogen op de stoep gericht zorgde ervoor dat een kleine botsing met een passerende passant niet voorkomen kon worden. Er ontstond een muur van lichte spanning, die al gauw uiteen brokkelde toen de man zich omdraaide. De passant bleek namelijk een bekende, een vriend van een vriend van mij. We lachten. Opeens stak hij z’n vinger op en eiste m’n volledige aandacht. “Heb je Pauw en Witteman een tijdje terug gezien Bas, met die gekke baardmans met die haakmuts? Je lijkt wel een beetje op hem, haha”. Er volgden een luide lach en een knik.

We stapten verder en leverden strijd tegen de plots oprukkende storm.  Een gehoofddoekte vrouw met twee tot de nok toe gevulde Aldi-tassen liep zo goed en kwaad als het ging voorbij. Ze had zichtbaar moeite overeind te blijven met de knallende wind in haar rug. “Die gekke mensen met hun geloof. Ik snap daar niks van Bas. Atheïst zijn, daar voel ik me goed bij. Geen rare fratsen met God en Allah, of ander moeilijk gedoe”. Het was nog best lastig de woorden te herkennen in deze spontaan aangeslagen symfonie van donder en tieren.

Het deed me bijna schrikken dat de zoektocht zich weer aandiende, door het stomme toeval waarmee deze jongen mij verblijdde. Ik hield stil en dirigeerde hem een portiek in. Daar ging het praten makkelijker. “Wat vond je daar nou eigenlijk van, dat Femke Halsema en de anderen begonnen over de Rechten van de Mens, en het universeel zijn daarvan? Dat elk mens daarop aanspraak moet kunnen maken?” Zijn mond viel open en er werd stevig op mijn schouder geslagen. “Word je wakker Bas, iedereen heeft recht op een fijn leven. Ga niet zo doen hoor, zo ver ben je toch niet heen?”. De regen werd zelfs  op deze plek voelbaar. Het knalde met bakken de lucht uit en wist wervelend zijn weg de portiek in te vinden.

Hier stonden twee mannen in aller ernst te spreken over een talkshow. “Maar wie zegt dat het zo moet zijn? Wie gaat mij in de natuur laten zien dat wij als mensen zo met elkaar om zouden moéten gaan?” Hij schudde nee, legde zijn hand op mijn schouder en keek me scherper dan ooit aan: “Bas. Je weet toch gewoon dat het zo is? Daar hebben we als mensen het beste aan. Daar voelen we ons allemaal goed bij. Daarom zijn die rechten universeel. Je kan toch niet geloven dat het anders is, of wel soms? Precies! Daarom, klaar.” Ik knikte. We stapten de portiek uit en vervolgden onze weg. Zwijgend.



‘Zoekt en gij zult vinden’