Het uitzicht was als vanouds. Weilanden en regen. Toch keek ik zo nu en dan verveeld over de rand van het boekwerk in mijn hand. De meeste pagina’s hadden reeds kennis gemaakt met mijn ogen, die zo nu en dan andere prikkels zochten. Zo behoorde het tot één van mijn ontdekkingen dat deze coupé een achttal reizigers telde dat de maandag-drukte had weten te ontlopen, de drukte die nou eenmaal hoort bij een maandag waarop de universiteiten hun poorten weer openen. Op het eerste gezicht een wenselijke coupé, maar waarschijnlijk was het juist de rust die ervoor zorgde dat ik me de de nodige drukte op de hals zou halen. Precies de drukte waar ik bepaald geen behoefte aan had.

De tot het laatst gebleven bacillen mochten dan de aftocht blazen als een verslagen leger, ze wisten mijn energie nog altijd te plunderen. Helemaal fit was ik dan ook niet. Desalniettemin was ik scherp genoeg om de wisselend indringende en afkeurende blikken van de persoon tegenover me te ontwaren. Ik legde mijn boek op tafel en observeerde. Dat vond mijn overbuur zichtbaar onprettig. We werden gescheiden door niet meer dan het tafeltje waarop mijn boek lag. Ik was dan ook enigszins verrast toen ik een verstrakte blik opmerkte. “Vindt u dat verstandig, zo’n boek in het openbaar bestuderen?”

Ah, daar gingen we. Het was te verwachten, een vraag als deze. “Ik heb geenszins de illusie dat er wat dat betreft nog onderscheid bestaat tussen privé en openbaar”, vertrouwde ik de medereiziger toe, “wat zegt u ervan?” Waarschijnlijk was dit een reactie die verlangd noch verwacht werd. Ik merkte dat de andere reizigers verzaten of hun krantje weglegden. Blijkbaar wilden ze geen enkel moment missen van dit mogelijk spannende gesprek. “Dat is eerst en vooral te danken aan mensen die boeken lezen zoals u daar hebt”, werd mij medegedeeld, “want de stabiliteit van alles gaat ten onder aan mensen zoals u, die zich inlaten met je reinste waanzin en verderf!” Hij zei het echt. Ik hoopte even dat er iemand in mijn arm zou knijpen, maar dat paradijs werd me niet gegund. Na tijden van ogenschijnlijke isolatie, was een ontmoeting als deze de laatste die ik had zien aankomen – en de laatste waarop ik zat te wachten.

“Hebt ú zich laten domineren door al wat u op schrift is voorgeschoteld?” De overkant zocht naar een antwoord. Deze oprechte vraag leek de nodige twijfel te zaaien, maar de eerlijkheid gebiedt me te bekennen dat zelfs de gedachte aan het winnen van deze discussie niet in me opkwam. Niet omdat het onmogelijk zou zijn; er was eenvoudigweg geen zin. Zij kon wat mij betrof per direct vergeten worden. Ik wilde enkel naar mijn bestemming. Het toeval moest willen dat mijn leesvoer als lijdend voorwerp zou dienen voor dit gesprek, anders waren verveelde blikken en weilanden nog steeds het leidmotief van deze reis. En ik zou er geen traan om laten. Daar dacht mijn tafelgenoot anders over, want het geweer was alweer doorgeladen, zo bleek al vlot. “U kunt mij levenservaring ontzeggen noch betrappen op het vrijwillig lezen van kwalijke teksten. Al wat mij ooit ter ore of ogen is gekomen en het vertrappen waard, zal ik voor uw ogen kennis laten maken met mijn schoeisel”.

“Maar ik zou zoiets nooit van u verlangen” verzuchtte ik en pakte demonstratief het boek weer van tafel. De aan mij getoonde lege blik werd vergezeld door een onophoudelijk gezucht. De onderwerping aan de gedrukte woordenstroom gaf me enorm veel rust na deze moraalparade. Ook de anderen pakten hun krantjes weer tevoorschijn en leunden hoorbaar achterover. Toch leek het erop dat het kemphaantje zich niet gewonnen zou geven. Enige minuten na de leegheid van daarnet, leefde er alweer van alles in de ogen van de potentiële boekverbrander. Ik bereidde me voor op een nieuwe kanonnade van verwijten en kritiek, zoals je ze alleen uit dit soort monden ontsprongen hoort. “Wat vindt u eigenlijk van de voorstellen die gedaan worden, in dat boek van u?”, hoorde ik achter de kaft vandaan komen.

Grappig genoeg klonk er gelijktijdig gegiechel en gezucht. De medereizigers hadden merkbaar een mening over het vervolg dat aan deze twist gegeven werd. Het open boek kreeg een rustplek op mijn schoot, om geen blokkade voor mijn woorden te vormen. “Tot mijn grote verbazing kom ik een aantal buitengewoon interessante overpeinzingen tegen. Maar u hebt het tegendeel beleefd, begrijp ik uit uw aanhoudende dwarsbomerij? Hebt u dit boek eigenlijk wel eens gelezen?” Er volgde een korte, maar diepe stilte, waarna de strijder zich herpakte “Nooit zal ik me inlaten met zo’n aanklacht tegen de vrijheid!” En toen triomfantelijk: “Tot mijn laatste dag zal ik voor haar opkomen, al is dat het laatste wat ik doe!”

Ik nam zijn ontboezeming ter kennisgeving aan en richtte mijn blik weer op één der alinea’s. Inmiddels toonde de laatste pagina zich ontvankelijk gelezen te worden. De bestemming was bijna bereikt, dus ik las sneller, zoals dat vaak gaat als je een boek bijna uit hebt en de tijd dringt. Aangekomen bij het laatste woord, riep de conducteur de bestemming om. Ik klapte het boek dicht en spoedde mij, tegen mijn principes en de ratio in, naar de uitgang, alwaar ik terecht kwam in een verstikkende mensenbrij. Blijkbaar waren er op de benedenverdieping minder zitplaatsen vrij gebleven.

De vrijheidsstrijder hield me nauwlettend in de gaten. Om nog meer discussie te vermijden liet ik niet blijken dat ik me daar bewust van was. Nu wierpen ook de andere andere zes medereizigers blikken op ons, als taxeerden zij wie het meeste weg had van een echte overwinnaar. Bij het uitstappen beet de man me op zachte toon, doch duidelijk te horen “gek” toe. Met een ferme tred maakte hij zich uit de benen, de vrijheidsstrijder die hij was en zou blijven. Een glimlach kon ik niet onderdrukken.

Ik sjokte over het perron en stopte even bij een vuilnisbak, alwaar ik mij resoluut ontdeed van het boek. Het was de bevrediging van een behoefte waaraan ik al langer had willen toegeven. Een meisje dat al die tijd in de rij naast me had gezeten zag het gebeuren en lachte naar me, met een zekere overtuiging, al verraadde haar blik vooral veel vragen en een oprechte nieuwsgierigheid. Meer dan elke vrijheidsstrijder ooit zou kennen.



Vrijheidsstrijder