Klaar om terug te gaan. Op weg. De terugweg verloopt soepeltjes. Bijna bij de bestemming, ver van huis. Uitstappen. Instappen. Het mooie van de toekomst is dat je niet weet wat er komen gaat. Instappen. Uitstappen. Waar was ik? Deur open. De roltrap af. De spiegel herinnert me aan wie ik ben. We keren weer terug. Flashbacks, overal flashbacks. Kijk nooit terug. Kijk vooruit. Aangekomen. Het heden is triviaal. Hoe moet het als ik de tijd niet kan voelen? Flashbacks, overal flashbacks. We zijn er. Eindelijk, we zijn er. Nu.







Flashbacks